fbpx

Fragile Process in Dutch

Vertaling Mieke Mensen

Margaret S. Warner, PhD
Chicago Counseling Center
Illinois School of Professional Psychology
Vertaling Mieke Mensen, Coaching, Focusing & Training, miekemensen@planet.nl

Voorwoord vertaler
Het begrip ‘fragile process’ wordt niet vertaald. De term ‘process’ verwijst hier naar het innerlijke proces dat nodig is om de ervaringen die je opdoet en de emoties die erbij komen te verwerken. Dit is het proces tussen de innerlijke emotionele reactie op een gebeurtenis en het waarneembare gedrag dat iemand naar buiten brengt. Het vermogen om relevante persoonlijke ervaringen op een accepterende manier in de eigen aandacht vast te houden en te verwerken (the capacity to hold and process experience), bepaalt dit proces. Bij een cliënt met ‘fragile process’, is dit proces van innerlijk verwerken van ervaring zwak, waarbij de cliënt óf met impulsief gedrag reageert (hoog-intensief fragile process), of de emotie negeert en vlak gedrag vertoont (laag-intensief fragile process).

Het artikel bevat in de Engelse versie een paragraaf over fragile process en Self Psychology. Deze is niet in de vertaalde versie opgenomen. Margaret Warner zet daar kort de ideeën van de psychoanalyticus Heinz Kohut (1984) uiteen. Omdat deze vertaling vooral bedoeld is voor de professionals die zich met focussen bezighouden, binnen of buiten psychotherapie, lijkt deze uitstap naar psychoanalytische theorievorming niet relevant. Geïnteresseerden kunnen het oorspronkelijke artikel vinden op www.focusingresources.com

Margaret Warner is cliëntgericht therapeut, opleider en wetenschapper. Zij werkt met en publiceert over cliëntgroepen met ‘moeilijke’ stijlen van verwerken van hun ervaringen, voor henzelf, maar ook vaak voor hun therapeuten. Zij onderscheidt drie soorten ‘difficult process’: ‘dissociated process’,  ‘psychotic process’ en ‘fragile process’ ,waar dit artikel over gaat.

Inleiding
Veel cliënten hebben een zwak ontwikkelde manier van verwerken van ervaringen, waardoor het voor hen moeilijk is om binnen een standaard psychotherapiekader te werken. Therapeuten vinden de ervaringen van deze cliënten vaak moeilijk te begrijpen en zij voelen zich gedwarsboomd in hun therapeutische inspanningen. Zulke cliënten krijgen vaak een diagnose van borderline-, narcistische of schizoïde persoonlijkheidsstoornissen. Men neemt bij hen archaïsche afweermechanismen waar, zoals afsplitsing en projectieve identificatie. Een cliëntgerichte manier van werken is bijzonder effectief bij deze cliënten, mits de therapeut in staat is te begrijpen wat voor soort ervaringen deze cliënten hebben als zij in een fragile process zitten.

In dit artikel zal ik het begrip fragile process beschrijven, ik zal ingaan op veronderstellingen over de wortels ervan in de ontwikkeling, en stilstaan bij welke soorten interacties waarschijnlijk effectief zijn in psychotherapie. Omwille van de eenvoud zal ik fragile process beschrijven als een enkelvoudig verschijnsel. Men moet zich echter realiseren dat mensen fragile process in verschillende gradaties ervaren, en dat zij in sommige delen aspecten van hun ervaring een zwakke stijl van verwerken hebben, maar in andere niet.

Beschrijving van fragile process
Cliënten met een zwakke stijl van verwerken, hebben de neiging om belangrijke kwesties te ervaren met een heel hoog óf een heel laag niveau van intensiteit. Zij hebben vaak problemen met het starten en stoppen van ervaringen die van persoonlijk belang, of emotioneel geladen zijn. Zij kunnen zich tijdens zulke ervaringen meestal slecht verplaatsen in het standpunt van een ander.

Bijvoorbeeld, een cliënt kan bijna de hele sessie omstandig praten en pas helemaal aan het eind verbinding maken met een onderliggend gevoel van woede. Maar op dit punt aangekomen voelt hij zich niet meer in staat om de woede op zo’n manier af te wenden dat hij weer naar zijn werk terug kan. Hij kan dan uren door het park lopen terwijl hij probeert om de intensiteit van zijn woede te hanteren. Het kan zijn dat de cliënt wel in staat is om met de therapeut over zijn gevoelens van woede te praten, en dat hij er heel graag begrip en bevestiging over wil. Toch zal verklarend commentaar van de kant van de therapeut, of het niet eens zijn met de cliënt, door hem worden ervaren als een poging van de therapeut om zijn ervaring te vernietigen.

Vaak zijn empathisch begrijpende antwoorden de enige soort reacties die mensen in een fragile process kunnen ontvangen, zonder zich getraumatiseerd te voelen, of de verbinding met hun ervaring kwijt te raken. De aanhoudende aanwezigheid van een kalmerende, empathische ander is vaak essentieel voor het vermogen van de cliënt om in verbinding te blijven zonder zich overspoeld te voelen. In zekere zin vragen cliënten die in een fragile process zitten of hun manier van de dingen ervaren recht van bestaan heeft in de wereld. Elke verkeerde naam aan hun ervaring, of ook maar de suggestie dat de ander anders naar de ervaring kijkt, wordt ervaren als een ‘nee’ op deze vraag.

Cliënten met een fragile process van lage intensiteit ervaren persoonlijke reacties meestal als subtiele emotionele nuances, als nauwelijks te pakken en vast te houden draadjes van ervaring. Als zij afgeleid worden, of tegengesproken, laten ze het idee dat deze ervaringen van belang zijn gemakkelijk varen. Opmerkingen van de therapeut die bedoeld zijn als helpend advies of inzicht, zorgen er hoogstwaarschijnlijk voor dat de cliënt afhaakt.

Cliënten die een hoog-intensief fragile process ervaren, voelen hun ervaring heel sterk en willen vaak begrepen en bevestigd worden in de juistheid van hun ervaring. Maar zelfs een benaming die net niet klopt, of het net niet goed begrijpen van de ervaring wordt gevoeld als schending. Een cliënt die bijvoorbeeld zegt dat hij zich ‘geïrriteerd’ voelt, kan zich diep onbegrepen voelen als de therapeut zegt te begrijpen dat hij ‘boos’ is. Andere soorten van interpreterende opmerkingen of advies worden ervaren alsof de hele ervaring ongeldig gemaakt wordt.

De fysieke setting van de therapiesessies heeft vaak invloed op het vermogen van de cliënt om in contact te blijven met zijn fragile process. Vaak helpt het cliënten om bij hun fragile process te blijven als zij weten dat de sessies op dezelfde tijd van de dag en de week plaatsvinden, dat ze op dezelfde manier beginnen, dat de schikking van de dingen in de kamer hetzelfde blijft. Veranderingen die onder andere omstandigheden onbelangrijk kunnen zijn, kunnen het vermogen van een cliënt om therapeutisch te werken volledig ontwrichten. De cliënt kan bijvoorbeeld door het verplaatsen van een sessie naar een ander kantoor of een ander tijdstip het gevoel hebben dat de therapeutische context vernietigd is, zonder enige zekerheid of die ooit weer hersteld kan worden.

Aan de andere kant hebben cliënten met fragile process vaak behoefte om aanzienlijke controle te hebben over de setting van de sessies. Een cliënt die toegestaan wordt om de lengte van de sessies aan te passen, of om sessies op een bepaald moment van de dag te hebben, of de kamer op een meer comfortabele manier in te richten, kan daardoor in contact komen met verwerking die anders ontoegankelijk zou zijn.

Cliënten met een zwakke stijl van verwerken ervaren hun leven vaak als chaotisch of leeg. Als cliënten met hoog-intensief fragile process ervoor kiezen om in contact te blijven met hun ervaring in persoonlijke relaties, voelen zij zich meestal een groot deel van de tijd gekrenkt en onbegrepen. Als zij hun gevoelens uiten zien andere mensen hen gauw als onredelijk boos, lichtgeraakt en koppig. Die anderen worden dan terug boos en afwijzend, hiermee het gevoel van de cliënten versterkend, dat er iets fundamenteel verderfelijks aan hun bestaan kleeft. Cliënten die hun gevoelens blijven uiten hebben vaak vluchtige relaties of opeenvolgende relaties die goed beginnen en dan mislopen. Aan de andere kant, als zij het opgeven om contact te leggen of hun persoonlijke reacties te uiten, voelen zij zich vaak bevroren of dood van binnen. Velen alterneren tussen het inhouden van hun reacties, waarbij zij zich toenemend ongemakkelijk voelen, en dan exploderen van woede op de mensen om hen heen.

Cliënten met laag-intensief fragile process hebben moeite om zich bewust te worden van hun persoonlijke reacties, of om ze serieus te nemen. Wanneer zij reacties uiten, doen ze dat vaak op subtiele en indirecte manieren. Zij voelen zich gauw voor het hoofd gestoten en trekken hun persoonlijke verbinding terug voordat anderen in de gaten hadden dat er iets serieus op het spel stond. Zij kunnen de meeste tijd afstandelijk blijven, terwijl ze een leven leiden dat uiterlijk functioneel is, maar waar een gevoel van vitaliteit ontbreekt. Cliënten met laag-intensief fragile process weten soms niet dat er alternatief is voor een ‘low key’, lichtelijk depressief bestaan.

De ontwikkeling van fragile process
Het vermogen om ervaring te verwerken veronderstelt een complexe set van intrapsychische vaardigheden, die zich tijdens de vroege kinderjaren ontwikkelen. In beginsel verwerkt iedereen die leeft ervaring, want alle mensen hebben ervaringen die met de tijd veranderen. (Mijn denken over het verwerken van ervaringen is sterk beïnvloed door het werk van Eugene Gendlin, dat de complexe relatie tussen de ‘felt sense’ en de verbale betekenis van ervaring onderzoekt.)

Ik geloof echter dat de meer complexe verwerking een basisvaardigheid vereist: het vermogen om relevante persoonlijke ervaringen op een accepterende manier in de eigen aandacht te houden. Kinderen hebben in eerste instantie beperkte mogelijkheden om zelfstandig ervaringen in de aandacht te houden en ontwikkelen hun vermogen in interactie met zorgende volwassenen. Dit begint met non-verbale interactie in de kinderjaren.

‘Goed-genoeg’ ouders zullen verbinding maken met de ervaring van hun kind en het in verschillende soorten non-verbale spelletjes betrekken, waarbij ze hen helpen om extremen van hoge of lage intensiteit te vermijden. (Stern 1985) Kinderen kunnen heel goed zijn in het uitlokken van dit soort non-verbale empathie van volwassenen die er niet echt vaardig in zijn. Volwassenen reageren ook verbaal empathisch op de ervaringen van het kind, vooral door hun reacties te benoemen lang voordat het kind de woorden kan verstaan. Nadat zij een tijd hun ervaringen hebben horen benoemen, zullen kinderen hun eigen ervaringen gaan labelen. (Stern 1985) In het begin zal dit ‘labelen’ heel primitief en globaal zijn, later mee complex en subtiel. Met het ouder worden ontwikkelen kinderen een gevoel voor hoe eigen, specifieke ervaringen passen in grotere persoonlijke, familie- en culturele identiteiten.

Wanneer kinderen hebben geleerd om hun ervaringen in de aandacht te houden met steun van liefhebbende, empathische volwassenen, dan beginnen zij dit vermogen te internaliseren en op een accepterende manier aandacht te geven aan hun eigen ervaringen. Ik geloof dat, zodra dit vermogen eenmaal is ontwikkeld, andere ervaringsvermogens zich op natuurlijke wijze kunnen ontwikkelen. Tijdens latentie en adolescentie worden kinderen in toenemende mate vaardig om de intensiteit van emotionele reacties te moduleren, en om in en uit stemmingstoestanden te stappen wanneer de situatie daarom vraagt. Zij zijn meer en meer in staat om hun eigen ervaringen op te merken, zich te richten op de ervaringen van andere mensen en deze informatie te gebruiken om hun eigen ervaring te herzien. Zij raken meer en meer in staat om hun onmiddellijke reacties te beschouwen in het licht van andere persoonlijke en culturele betekenissen en zij kunnen deze betekenissen hun eigen ervaringen laten beïnvloeden.

Als volwassenen in de ouderrol zich overweldigd voelen of in beslag genomen zijn door hun eigen behoeften, dan zullen zij de ervaringen van hun kinderen niet empathisch ‘vasthouden’. Zij kunnen niet responsief zijn, of zij reageren vooral op hun kinderen in termen van hoe hun kinderen hén doen voelen. Als volwassenen vermijden om bepaalde onderwerpen in hun eigen leven onder ogen te zien – zoals alcoholisme of een ongelukkig huwelijk – dan kunnen zij het benoemen van ervaringen systematisch vervormen. Dit geldt vooral voor die ervaringen van hun kinderen die hún ontkenning bedreigen. Kinderen kunnen omgekeerde zelfobject relaties met hun ouders ontwikkelen, waarin zij hun eigen reacties opzij zetten om ervaringen van fragmentatie bij hun ouders te voorkomen (Met dank aan Ronald Lee voor dit inzicht).

Wanneer kinderen het empathisch ‘vasthouden’ van hun ervaringen door volwassenen hebben gemist, is de ontwikkeling van andere vermogens op het gebied van ervaringen waarschijnlijk aangetast. Ervaringen die niet ‘in de aandacht gehouden’ zijn, hebben de neiging om onwerkelijk, onbeheersbaar of verderfelijk te voelen. In plaats van te leren hun persoonlijke reacties op situaties te verwerken, beginnen kinderen hun ervaringen te onderdrukken, of ervan uit te ageren zonder hun drijfveren te begrijpen. Na verloop van tijd zullen deze kinderen waarschijnlijk globale gevoelens van leegte of slecht zijn ontwikkelen.

Therapeutische interactie met fragile process
In de ideale situatie creëert therapie met volwassenen in fragile process het soort empathische ‘in de aandacht houden’ dat in de vroege jeugdervaringen van deze cliënten ontbroken heeft. Als de therapeut empathisch verbonden blijft met belangrijke ervaringen van de cliënt, is het waarschijnlijk dat deze de bevrediging kan voelen die voorkomt uit dit accepterende ‘bij zijn ervaring blijven’. Aanvankelijk is dit een nogal ambivalent soort plezier, omdat de ervaringen zelf vaak pijnlijk zijn. De cliënt is er daarbij vaak van overtuigd dat zijn ervaringen beschamend zijn en henzelf of anderen kwaad zullen doen.

Cliënten kunnen de behoefte voelen om hun therapeut op allerlei manieren te testen, voordat zij vertrouwen dat de therapeut zich met hun ervaring kan verbinden of geloven dat hun ervaring enige waarde zou kunnen hebben. Zij kunnen bang zijn dat zij door hun ervaringen te uiten kwetsbaar worden voor manipulatie en controle door de therapeut. Of zij zijn bang dat hun ervaring de therapeut zal overweldigen of beschadigen. Na verloop van tijd, echter, ontdekken cliënten vaak dat hun reacties meer betekenis hebben dan zij dachten en dat ogenschijnlijk onveranderbare gevoelens door verschillende soorten van positieve verandering en oplossing heen gaan.

Effectieve therapie met fragile process vereist hoge kwaliteit in luistervaardigheden. Cliënten hebben meer nodig dan een accepterende aanwezigheid. Zij hebben het nodig te weten dat hun therapeut werkelijk heeft begrepen wat zij voelden en probeerden uit te drukken. Therapeuten moeten vooral oplettend zijn wanneer cliënten ervaringen gewaar zijn waar zij nog geen woorden voor hebben. Als therapeuten ruimte maken voor de onhelderheid, kunnen cliënten vaak hun eigen woorden vinden voor de ervaring. ( Bijvoorbeeld, de therapeut zou kunnen zeggen: “Iets daarover voelt ongemakkelijk, maar het is nog niet helemaal duidelijk wat het is” en de cliënt zou dan kunnen zeggen: “Ja, het is een soort van hopeloos gevoel.” Zie Gendlin 1964). Als, aan de andere kant, de therapeut de betekenis invult, voelt de cliënt zich waarschijnlijk onbegrepen en kwaad of hij geeft het zoeken naar de juiste woorden om de ervaring uit te drukken op.

Cliënten midden in fragile process vertellen vaak verhalen die op een wat indirecte manier uitdrukking geven aan hun vrees dat hun ervaring geen recht van bestaan heeft in de wereld. Soms geven deze verhalen het gevoel van hopeloosheid en schaamte van de cliënt weer, wanneer andere mensen boos op hen zijn. Op andere momenten leggen cliënten omstandig uit dat zij al het mogelijke hebben gedaan in een situatie en dat anderen niets hebben ondernomen om te helpen of de situatie erger gemaakt hebben. Therapeuten zijn vaak niet op hun gemak met de extreem hoge of lage claim op hun eigen behoeften, die cliënten in zulke verhalen weergeven. Zij kunnen ertoe overgehaald worden om de cliënt gerust te stellen dat het niet nodig is zich te schamen. Of zij geven advies over hoe hij anders naar de situatie zou kunnen kijken of er assertiever mee omgaan.

Cliënten die zich in fragile process bevinden zijn gewoonlijk helemaal niet ontvankelijk voor zulk advies en lijken vaak eerder gekwetst en geïrriteerd als het wordt aangeboden. Zij vragen alleen maar om ontvangen te worden in hun ervaring van de situatie. Wanneer therapeuten in staat zijn om zulke ervaringen samen met hun cliënten in de aandacht te houden, dan richten zij zich op wat fundamenteler is – de onzekerheid van hun cliënten of zij het recht hebben de ervaring überhaupt te hebben. Wanneer cliënten zich eenmaal zekerder voelen in hun ervaring van de situatie, nemen zij op een heel natuurlijke manier een standpunt in dat hun behoeften in situaties in balans brengt met die van anderen. Vaak beginnen zij hun situaties met anderen te bespreken, waarbij zij afwisselende standpunten innemen en evenwichtig assertief worden.

Cliënten hebben meestal enkele thema’s of situaties in hun leven die veel meer ‘fragile’ zijn dan andere. Zij zijn geneigd zich veel duidelijker, krachtiger en ogenschijnlijk rationeler uit te drukken over delen van hun leven die minder ‘fragile’ zijn. Bij kwesties die ‘fragile’ zijn, zullen cliënten zich vaak wat indirect uitdrukken – in zijdelingse opmerkingen bij het weggaan uit de sessie, in thema’s die begraven worden in lange verhalen, of opmerkingen die heel voorzichtig worden gemaakt en dan snel ontkend. Zulke indirectheid is één reden dat cliënten met fragile process zich dikwijls onbegrepen voelen. Therapeuten kunnen gemakkelijk pogingen van hun cliënten om over ‘fragile’ ervaringen te communiceren, missen en merken dat hun cliënten uit de therapie stappen of geen vooruitgang lijken te maken.

Therapeuten die nauwlettend aandacht geven aan het proces van hun cliënten, leren hun communicatie effectief te decoderen. Bij cliënten die tekenen vertonen van een fragile process, zouden therapeuten moeten proberen te begrijpen welke gevoelstoestanden of soorten gedrag het zijn, die geen recht van bestaan hebben in de ervaringen van hun cliënten. Cliënten zijn geneigd te alterneren tussen het zoeken naar manieren van leven die zulke ervaringen ontkennen, en pogingen hun recht om in de wereld te bestaan opnieuw te laten gelden. Wanneer therapeuten de kwesties die op het spel staan begrijpen, merken zij vaak dat veel meer van het gedrag van hun cliënt betekenis heeft voor hen. Op hun beurt voelen cliënten zich veel vollediger begrepen. Therapeuten krijgen heel natuurlijk plezier in de meest onhandige of indirecte pogingen van hun cliënten om zich opnieuw het recht toe te eigenen om met hun ervaringen aanwezig te mogen zijn.

Wanneer cliënten beter in staat zijn om ‘fragile’ ervaringen in therapie in de aandacht te houden en te verwerken, voelen zij zich vaak een tijd lang erg afhankelijk van de therapeut. In dit stadium is de empathische aanwezigheid van de therapeut essentieel voor het vermogen van de cliënt om zijn ervaring in de aandacht te houden zonder zich getraumatiseerd te voelen. Het is alsof de therapeut een zuurstofmasker voorhoudt aan cliënten die de rest van de week worstelen om adem te krijgen. Heel begrijpelijk zullen cliënten liever niet weggaan uit sessies en een hekel hebben aan de tijd die zij zonder contact met de therapeut moeten doorbrengen.

Geleidelijk echter raken cliënten in staat om hun ervaring in hun aandacht te houden voor langere periodes tussen de sessies in. Verscheidene sessies per week geven hen vaak de mogelijkheid om de tijd tussen sessies te overbruggen zonder het verlies van hun gevoel van verbinding. In deze tussenfase kunnen cliënten vaak opnieuw verbinding vinden met hun vermogen om hun ervaring in de aandacht te houden, door het beeld van de therapeut op verschillende manieren op te roepen. Kort telefonisch contact, het beluisteren van een bandopname met de stem van de therapeut, het vasthouden van een object dat van de therapeut is, of buiten het kantoor van de therapeut zitten, dit alles kan helpen om de ervaring van de therapie te herinneren.

Interpretaties van fragile process als archaïsche afweer
Veel therapeuten interpreteren hun eigen negatieve reacties als het resultaat van onbewuste communicatie van de cliënt, die volgens hen het archaïsche afweermechanisme projectieve identificatie gebruikt. (Bv. Kernberg 1975). In het begin voelen therapeuten zich vaak ongemakkelijk bij cliënten die zich in fragile process bevinden. Zij kunnen het gevoel hebben dat hun cliënten afwezig zijn en saai, dat zij een ziekelijke weerstand hebben om helpende interventies te ontvangen, of dat zij onredelijk boos zijn over kleine verstoringen van het therapieproces. Zij kunnen dan de conclusie trekken dat de cliënt onbewust wil dat de therapeut zich verveeld en gefrustreerd voelt, zodat hij kan begrijpen hoe verveeld en gefrustreerd de cliënt zich in zijn leven voelt of gevoeld heeft.

Ik geloof dat het wijs is om voorzichtig te zijn met deze oordelen wanneer cliënten fragile process ervaren. Cliënten proberen meestal alleen maar vast te houden aan hun eigen ervaringen en aan het zorgen dat deze niet uit de hand lopen. Zij hebben meestal niet een speciale wens om de therapeut frustratie of het gevoel van controleverlies in het proces te bezorgen. Zij zijn juist vaak erg bang om de therapeut of de relatie met hem te belasten of te schaden. Het ongemakkelijke dat de therapeut voelt komt volgens mij meestal voort uit twee redenen:

  1. de therapeut begrijpt het proces van de cliënt niet en ervaart de cliënt als overmatige frustrerend en onredelijk
  2. de therapeut heeft eigen onopgeloste zaken op het gebied van controle en afhankelijkheid, die door de behoeften van de cliënt worden aangeraakt.

De snelle conclusie dat cliënten onbewust ongemakkelijke gevoelens in de therapeut teweeg willen brengen, kan therapeuten gemakkelijk weerhouden om te proberen hun eigen reacties en die van cliënten te begrijpen. In het proces kan dit juist de empathie belemmeren die zo essentieel is voor deze cliënten.

Het komt voor dat cliënten die midden in fragile process zitten opzettelijk proberen negatieve gevoelens op te roepen in hun therapeut. Ik geloof dat dit beter opgevat kan worden als een van de interpersoonlijke strategieën die secundair zijn aan fragile process, dan als onbewuste afweer. Cliënten proberen meestal manieren te vinden om hun intense behoefte aan ondersteuning van de therapeut te hanteren. Zij kunnen de therapeut proberen uit te testen met negatief gedrag, om erachter te komen of de therapeut zou kunnen afhaken, voordat zij de intense afhankelijkheid riskeren die met het openen van hun fragile process zal gebeuren. Eenmaal in een nabije relatie met de therapeut, kunnen zij indirecte manieren vinden om meer hulp te krijgen van hun therapeut als zij zich overweldigd voelen. Of, zij kunnen wrok tonen omdat zij zoveel pijn en verlating voelen in de relatie met de therapeut en de therapeut helemaal niet lijkt te lijden.

Het is belangrijk dat therapeuten begrijpen dat hun cliënten dit soort reacties kunnen hebben, maar deze interpreteren als motivaties van de cliënt dient geen werkelijk doel. Zoals altijd dienen therapeuten zich ervan te verzekeren dat zij zorg dragen voor hun eigen behoeften in de therapierelatie, zodat zij niet overvraagd raken en een hekel krijgen aan hun cliënten. In een begripvol klimaat zullen cliënten over hun onderliggende motivaties praten wanneer dat relevant voor hen is.

Veel therapeuten zullen de reacties van cliënten die zich in fragile process bevinden interpreteren als ‘afsplitsing’ en aannemen dat de cliënt moeite heeft met het integreren van goede en slechte kwaliteiten in één enkel beeld. Zij voelen dan dat het belangrijk is om de andere kant van elk thema dat aan de orde is duidelijk te maken. Bijvoorbeeld, door aan te geven dat mensen die door de cliënt worden geïdealiseerd ook feilbaar zijn, en dat mensen op wie hij boos is ook goede kanten hebben. (Kernberg 1975) Het is heel waarschijnlijk dat cliënten een therapeut zullen idealiseren, die met succes verbinding maakt met hun fragile process. Even waarschijnlijk is het dat zij zich boos voelen op andere mensen in hun leven, door wie zij zich niet begrepen voelen en slecht behandeld. Tegelijk is het waarschijnlijk dat zij switchen en extreem kwaad op de therapeut worden, als zij zich niet begrepen, en slecht behandeld in die relatie voelen.

Ik geloof dat de primaire moeilijkheid die cliënten met fragile process hebben, is dat zij niet in staat zijn hun ervaring in hun aandacht te houden, eerder dan de moeite om goede en slechte beelden in één gestalt te integreren. In feite zou iemands vermogen om zijn ervaring vast te houden wel eens een essentiële voorloper kunnen zijn voor het vermogen om een complex en geïntegreerd beeld van zichzelf en anderen te vormen. Intense positieve en negatieve reacties hebben betekenis wanneer ze gezien worden vanuit het perspectief van cliënten die midden in fragile process zitten. Als cliënten een gevoel van zekerheid  verwerven over hun vermogen om ervaringen in de aandacht te houden, dan ontwikkelt zich het vermogen om goede en slechte beelden van henzelf en anderen te integreren vanzelf.

Cliënten beginnen meer interesse krijgen voor het begrijpen van de ervaring van anderen en zij zijn meer en meer in staat om die ervaring te gebruiken om hun begrip van hun eigen situatie bij te stellen. Naarmate zij meer in staat zijn om hun reacties in de aandacht te houden en te bevestigen, zullen zij zich minder gauw van hun stuk gebracht en gekwetst voelen door reacties van andere mensen op hen. Zij zijn meer en meer in staat om te switchen tussen hun eigen gezichtspunten en die van anderen of om interacties uit te stellen die zij op een later tijdstip effectiever kunnen hanteren.

Conclusie
Het concept van fragile process kan gebruikt worden binnen een aantal therapiemodaliteiten, maar het past het meest vloeiend binnen de Cliëntgerichte traditie. Fragile process lijkt te ontstaan door gebrek aan empathie in de vroege ontwikkeling. Het lijkt, bijna uitsluitend, geholpen te worden door te participeren in de empathische, niet opdringende relatie die kenmerkend is voor cliëntgerichte therapie.

Interventies die behulpzaam kunnen zijn bij andere soorten cliënten in verschillende therapiemodaliteiten lijken juist belemmerend te zijn voor het vermogen van de cliënt om ‘fragile’ ervaring vast te houden.

Referenties

  1. Gendlin, E. T. 1964. A Theory of Personality Change. In P. Worchel and D. Byrne (eds.) Personality Change. New York: Wiley.
  2. Kernberg, O. 1975. Borderline Conditions and Pathological Narcissism. New York: Jason Aronson.
  3. Kohut, H. 1984. How Does Analysis Cure? Chicago: University of Chicago Press.
  4. Rogers, C. 1957. The Necessary and Sufficient Conditions of Therapeutic Personality Change. Journal of Consulting Psychology, 22, 95-103.
  5. Stern, D. 1985. The Interpersonal World of the Infant. New York: Basic Books.

This article has been published in New Directions in Client-Centered
Therapy: Practice with Difficult Client Populations, ed. Lois Fusek,
Monograph Series 1, Chicago Counseling and Psychotherapy Center.

Margaret Warner may be reached at mswarner@ripco.com.